De combinatietest bestaat uit twee verschillende onderzoeken:

  • een bloedonderzoek bij de zwangere
  • een nekplooimeting bij het kind

Deze onderzoeken zijn allebei nodig om een uitslag van de combinatietest te kunnen krijgen. U loopt geen risico op een miskraam.

1. Het bloedonderzoek

Er wordt bloed afgenomen uit uw arm. Soms doet de verloskundige dit, meestal moet u hiervoor naar een prikpost (bloedafnamelocatie). Het laboratorium onderzoekt uw bloed op 2 stofjes (PAPP-A en beta-HCG). 

2. De nekplooimeting

Een echoscopist meet de nekplooi van uw kind. De nekplooi is een dun laagje gevuld met vocht onder de huid. Bij kinderen met down-, edwards- en patausyndroom kan dit laagje dikker zijn dan bij kinderen zonder deze syndromen.

Soms doet de eigen verloskundige of gynaecoloog de nekplooimeting. Meestal moet u daarvoor naar een speciaal echocentrum. 


Wanneer kan ik de combinatietest laten doen?

U kunt het bloedonderzoek krijgen als u tussen 9 en 14 weken zwanger bent.
De nekplooimeting gebeurt tussen 11 en 14 weken zwangerschap.

U krijgt de uitslag van de combinatietest van de echoscopist die de nekplooimeting doet. Soms is het anders geregeld. Uw verloskundige of gynaecoloog kan u hier meer over vertellen.


De uitslag is een kans

De combinatietest berekent de kans dat uw kind down-, edwards- of patausyndroom heeft. Voor de berekening wordt de uitslag van het bloedonderzoek, de dikte van de nekplooi, uw leeftijd en de zwangerschapsduur gebruikt. 


De combinatietest geeft geen zekerheid

De uitslag van de combinatietest geeft aan hoe groot de kans is dat uw kind down-, edwards- of patausyndroom heeft. U weet het dus niet zeker.


Welke uitslagen kunt u krijgen?

  • “U heeft een verhoogde kans op een kind met down-, edwards- of patausyndroom”. Voorbeelden van verhoogde kansen zijn 1 op 100, 1 op 50 en 1 op 20.
  • “U heeft geen verhoogde kans op een kind met down-, edwards- of patausyndroom”. Voorbeelden van kleine kansen zijn 1 op 500, 1 op 1000 en 1 op 2000.

Lees verder over: Kans: hoe kunt u zich dat voorstellen?

 

Meer informatie

Lees hier meer over de NIPT.
De verschillen tussen de combinatietest en de NIPT op een rijtje gezet.


Veelgestelde vragen over de combinatietest

Dit verschilt per echocentrum. Als het bloed een of twee weken voor de echo is afgenomen, dan krijgt u de uitslag meestal op de dag van de echo. Als het bloed later is afgenomen, dan krijgt u de uitslag enkele dagen na de echo.

Een ‘verhoogde kans’ betekent dat er een kans is van 1 op 200 of hoger dat uw kind down-, edwards- of patausyndroom heeft. Een kans van 1 op 200 betekent dat van elke 200 zwangeren op het moment van het onderzoek er één echt zwanger is van een kind met down-, edwards- of patausyndroom. De andere 199 vrouwen zijn in verwachting van een kind dat geen down-, edwards- of patausyndroom heeft. Een verhoogde kans is dus niet hetzelfde als een hoge of grote kans.

Meer informatie over ‘Kans, hoe kunt u zich dat voorstellen?

Er lopen nu nog studies naar de NIPTniet-invasieve prenatale test  (de TRIDENT studies). Pas als daar de resultaten van bekend zijn, wordt bepaald of de NIPT definitief eerste screeningstest is.

De combinatietest kan de kans op een kind met downsyndroom beter voorspellen bij oudere zwangeren. Bij jonge zwangeren mist de combinatietest meer kinderen met downsyndroom dan bij oudere zwangeren.

De combinatietest heeft bij oudere zwangeren ook een nadeel. Zij krijgen vaker te horen dat zij een verhoogde kans hebben op een kind met downsyndroom, terwijl vervolgonderzoek uitwijst dat hun kind het niet heeft. De tabel geeft een overzicht.

Leeftijd zwangere vrouw

Hoeveel kinderen met downsyndroom ontdekt de combinatietest?

Hoeveel  zwangeren krijgen de uitslag dat zij een verhoogde kans hebben op een kind met downsyndroom, terwijl hun kind het niet heeft?

20 - 25 jaar

80 van de 100 kinderen met downsyndroom

Minder dan 5 van de 100 zwangeren

26 - 30 jaar

80-85 van de 100 kinderen met downsyndroom

Minder dan 5 van de 100 zwangeren

31 - 35 jaar

85-90 van de 100 kinderen met downsyndroom

5 tot 10 van de 100 zwangeren

36 - 40 jaar

90-95 van de 100 kinderen met downsyndroom

10 tot 15 van de 100 zwangeren

41 - 45 jaar

Meer dan 95 van de 100 kinderen met downsyndroom

Meer dan 35 van de 100 zwangeren

Uitleg:

Stel dat er 100 vrouwen zijn in de leeftijd van 41 tot 45 jaar. Zij zijn allen zwanger van een kind met downsyndroom. De combinatietest ontdekt meer dan 95 van de 100 kinderen met downsyndroom. Vijf vrouwen krijgen als uitslag dat zij geen verhoogde kans hebben op een kind met downsyndroom, terwijl hun kind het wel heeft. Daar staat tegenover dat in deze leeftijdscategorie meer dan 35 vrouwen de uitslag krijgen dat ze een verhoogde kans hebben op een kind met downsyndroom, terwijl hun kind dit niet heeft.

Bij jonge moeders voorspelt de test minder goed dan bij oudere moeders. Stel dat er 100 vrouwen zijn in de leeftijd van 20 tot 25 jaar. Zij zijn allen zwanger van een kind met downsyndroom. De combinatietest ontdekt 80 van de 100 kinderen met downsyndroom. Twintig vrouwen krijgen als uitslag dat zij geen verhoogde kans hebben op een kind met downsyndroom, terwijl hun kind het wel heeft. Daar staat tegenover dat in deze leeftijdscategorie weinig vrouwen de uitslag krijgen dat ze een verhoogde kans hebben op een kind met downsyndroom, terwijl hun kind het niet heeft.