Bekijk de antwoorden op de veelgestelde vragen. Daarnaast kunt u met vragen terecht bij uw verloskundig zorgverlener.

U bepaalt zelf of u de screening op down-, edwards- en patausyndroom laat uitvoeren. Wat weegt u af? U kunt daarbij denken aan de volgende vragen:

  • Hoeveel wilt u weten over uw kind voordat het wordt geboren?
  • Als uit de combinatietest of NIPTniet-invasieve prenatale test  een afwijkende uitslag komt, wilt u dan wel of geen vervolgonderzoek laten doen?
  • Uit het vervolgonderzoek kan blijken dat uw kind inderdaad down-, edwards- of patausyndroom heeft. Hoe bereidt u zich hierop voor?
  • Hoe kijkt u aan tegen het leven met een kind met down-, edwards- of patausyndroom?
  • Hoe kijkt u aan tegen een eventueel voortijdige beëindiging van een zwangerschap bij een kind met down-, edwards- of patausyndroom?
  • Heeft u behoefte aan ondersteuning bij uw keuze om wel of geen screening op down-, edwards- en patausyndroom te laten uitvoeren? Dan kunt u altijd terecht bij uw verloskundige, huisarts of gynaecoloog.

Als u kiest voor screening op down-, edwards- en patausyndroom, dan krijgt u altijd alle drie de uitslagen. U kunt er niet voor kiezen om alleen de uitslagen op edwards- en patausyndroom te horen.

Als u zwanger bent van een tweeling, kunt u bijna altijd kiezen voor de combinatietest. De combinatietest werkt dan wel iets minder goed. Dat betekent dat de combinatietest meer kinderen met downsyndroom mist.

Soms kunt u bij een tweelingzwangerschap ook kiezen voor de NIPTniet-invasieve prenatale test . Dit hangt af van de zwangerschap. Met de echo wordt gekeken naar het type tweelingzwangerschap. Als er sprake is van een zogenoemde monochoriale tweelingzwangerschap (één placenta, dun/geen tussenschot), dan kun u kiezen voor NIPT. Als er sprake is van een zogenoemde dichoriale tweelingzwangerschap (2 placenta’s, dik tussenschot) kunt u niet kiezen voor NIPT.